Wetenschapsjournalistiek

Een jaar of vijf geleden zat ik in de radiostudio bij Sophie Hilbrand (leuk mens!) om te vertellen over mijn boek ‘Het zit in een lab’, waarin ik het tanende gezag van de wetenschap analyseerde. Ik was uitgenodigd, omdat het boek nogal kritisch is over de academische praktijk. Tegen het einde van het gesprek zei Sophie: ‘Je houdt echt van ze, he?’

Dat kon ik moeilijk ontkennen. Wetenschappers zijn mijn soort. Ik heb bewust niet voor een universitaire carrière gekozen, maar uit puur journalistiek hout ben ik ook niet gesneden. Ik moest aan het incident terugdenken, toen ik onlangs een betoog van collega Joost van Kasteren las, waarin hij ons wetenschapsjournalisten verwijt teveel op schoot bij het onderwerp te zitten en er te weinig naar te blaffen. Veel van wat Joost schrijft, snijdt hout.

Blaf ik wel genoeg naar de ingenieurs die ik uit hoofde van mijn vak spreek? Journalisten willen graag de waakhond zijn. Natuurlijk in de eerste plaats van de politiek, maar ook van het bankwezen, het bedrijfsleven, de zorg, het onderwijs, de wetenschap, de inlichtingendiensten, noem maar op. Alleen in het eerste geval lukt dat aardig, vermoedelijk omdat politici en journalisten allebei generalisten zijn, met weinig diepgaande kennis van wat dan ook. Zodra het om werkelijke professies gaat, zijn journalisten in hun rol van waakhond doorgaans aangewezen op klokkenluiders, mensen die van de hoed en de rand weten, en daarover willen vertellen.

In de wetenschap valt veel te waakhonden, omdat het een slordige en fraudegevoelige bezigheid is, zo stelde The Economist onlangs in een artikel. Er bestaat binnen de wetenschap zelf weerstand tegen controlemechanismes, zelfs onder degenen die zich met de ethiek van het vakgebied bezig houden, mocht ik zelf onlangs bij een symposium constateren.

Er is dus behoefte aan een waakhondfunctie. Maar moet de wetenschapsjournalistiek die oppikken? Eerlijk gezegd weet ik het niet. De eerste taak van de journalistiek is volgens mij de verslaggeving, dat wil zeggen: ergens naartoe gaan en opschrijven wat er gebeurt en wie wat zegt. Dat is een dienende rol, waar je niet beroemd mee wordt. De wetenschapsjournalist in de rol van verslaggever heeft een extra taak, omdat hij (als het goed is) beter begrijpt wat in een lab gebeurt en wat de prof zegt dan een willekeurige omstander, en in staat is dat in begrijpelijke bewoordingen uit te leggen.

Zelfreinigend vermogen

Het grootste deel van de wetenschapsjournalisten ziet dat dan ook (terecht) als zijn voornaamste taak: een zo correct mogelijke weergave geven van wat ingenieurs, ontwerpers en onderzoekers zoal uitspoken. Veelal is er tegenwoordig van de kant van de afzender een communicatiespecialist aan te pas gekomen, iemand de onderwerpen voorsorteert en liefst zorgt dat er mooie plaatjes zijn om bij het verhaal te zetten. Er zijn wel vragen gesteld, maar niet van het type: kloppen die emissiecijfers, heeft u gesjoemeld bij die berekening, werkt het apparaat eigenlijk wel, is uw uitkomst statistisch relevant, zijn die foto’s werkelijk van Mars?

Geen journalist die het antwoord op die vragen kan begrijpen zonder hulp van een insider (of hoogstens in eenvoudige gevallen van discutabele claims, waarbij het traditionele hoor en wederhoor ook goed werkt). In feite spreek je dan het zelfreinigende vermogen van de wetenschap al aan. Eenvoudig gezegd: de journalist kan alleen de waakhond van de wetenschap zijn, als er genoeg wetenschappers zijn die willen meewerken. Eerlijk gezegd zou het behoorlijk triest zijn als de wetenschap voor haar waakfunctie op de journalistiek zou moeten terugvallen.

Kortom, ik denk dat de wetenschapsjournalist waar het de ethiek van de wetenschap betreft ook in de eerste plaats verslaggever moet zijn. Dat maakt de vraag die we onszelf moeten stellen ook veel eenvoudiger. De vraag is niet: blaffen we wel hard genoeg? Maar: kiezen we de juiste onderwerpen om over te schrijven? Zelf heb ik het – toegegeven – op dat vlak relatief eenvoudig. Het meeste wat ik (ook in opdracht van bedrijven) schrijf, is feitelijke verslaggeving. Daarnaast krijg ik van De Ingenieur maandelijks de gelegenheid in een column scherp te opiniëren over wat ik tegenkom. Ik heb fijne, gescheiden podia voor mijn werk.

De voornaamste reden waarom mijn haren de neiging hebben overeind te gaan staan als journalisten zich in een democratisch land waakhond noemen, is de pretentie die ervan uitgaat. Er zijn krachtiger waakmechanismes dan jij en daar lift je op mee. Het creëert ook een tegenstelling die er niet is. Wanneer je als wetenschapsjournalist academische misstanden aankaart, blaf je niet tegen maar voor de wetenschap. Want laten we eerlijk zijn: als we niet van wetenschap hielden, waren we geen wetenschapsjournalist geworden.

×