Toen en nu: Gerri Eickhof

Gerri Eickhof, verslaggever bij de NOS

1994

‘Als je vroeger op reportage ging, nam je een busje mee dat was ingericht als montageruimte. De cameraman deed een bandje in de camera en als hij klaar was, werd dat door een technicus op mijn aanwijzingen gemonteerd. Dat ging snel, omdat de beelden op het bandje direct toegankelijk waren. Het nadeel was dat als je achteraf nog iets wilde wijzigen aan de reportage, je zo’n beetje helemaal opnieuw moest beginnen met monteren van het ruwe materiaal.

Deze analoge methode wordt overigens nog regelmatig gebruikt, ook als beelden met een digitale camera gemaakt zijn, omdat het sneller is, wanneer je niet in de studio zit. De digitale beelden komen dan uiteindelijk op een analoog bandje terecht. Op het busje zit een satellietschotel. Afhankelijk van de tijdsdruk wordt net als vijftien jaar geleden de reportage eerst naar Hilversum verzonden of direct uit het busje in de uitzending vertoond.

De archivering van beelden vond indertijd ook plaats op banden, die steeds meer ruimte innamen. Daarom moest streng geselecteerd werden. Zo zijn we op een gegeven moment gestopt de uitzending van zes uur ’s avonds te bewaren. Ruw materiaal werd na een jaar sowieso weggegooid. Je kon echter wel zelf het archief doorzoeken, zodat je makkelijk een paar nieuwe banden kon pakken als je niets van je gading had gevonden op de band die je had meegenomen.’

2009

‘Tegenwoordig nemen we nog steeds het busje, maar gaat er een schijfje in de camera. Het grote nadeel van het laden van dit digitale beeldmateriaal in de studio-apparatuur is dat dit real-time moet gebeuren. Wanneer je een uur aan materiaal hebt, moet je dus een uur wachten tot je kunt monteren. Het monteren zelf gaat wel veel vlugger, omdat je eenvoudig met videofragmenten kunt slepen om ze op hun plek te zetten. Steeds vaker gebeurt dat door de journalist zelf, niet door een technicus, en het kan ook op een laptop.

Het nadeel van dat snelle werken is dat je het resultaat niet meer meteen ziet. Het gevolg is dat er slordiger gemonteerd wordt. Je ziet bijvoorbeeld niet meer direct dat je twee camerabewegingen achter elkaar monteert. Een verslaggeverswet zegt dat je dat niet moet doen, omdat het een onrustig effect geeft. Als dat bedoeld is, zoals bij muziekvideo’s, is het niet erg, maar het gebeurt zonder beleid, is mijn waarneming. Verzending van de reportage gebeurt nog steeds per satelliet, maar internet is in opmars.

De archivering vindt nu plaats op grote servers, waardoor veel meer bewaard kan worden. Zelf doorzoeken is echter nog niet mogelijk, zodat het soms enkele uren duurt voor je krijgt wat je opgevraagd hebt. Er kan namelijk maar één aanvraag tegelijk in behandeling genomen worden. Als je dan niet vindt wat je zocht, ben je een paar uur verder voor je het wel hebt.

ICT heeft zeker de toekomst in de media, maar het heden heeft het nog niet. Er wordt teveel in een lab-setting getest waar in de praktijk veel haken en ogen aan blijken te zitten. Gebruiksvriendelijk is het allemaal nog niet: pas na een cursus kun je ermee omgaan, terwijl analoge systemen intuïtief werken.’

×